Buikschuifsjans op het Rembrandtplein

Ik wil nog. Dansend de regen door, zwoegend het sportcentrum bereiken. Nagels bijten, bijbaantjes vinden, schimmels verwijderen en spinnen beschermen. Ik wil nog. In het zwembad springen, van de duikplank het bestaan in plonzen. Vergaan, opstaan. Ik wil een. Dingenbedenker zijn en gapend genialiteit verwerven. 

Ik wil een huis met een trap en een fiets aan de gracht. Ik wil de stenen. Voelen onder mijn voeten. De wind door mijn hart en de gaten tussen mijn vingers. Ja. Daar zit de nacht. Geef mij een tent en vier vrienden. Het landschap zonder horizon. Laat ons voor altijd op halve matjes in dit parkje naast de stad.

Ik wil buikschuifsjans op het Rembrandtplein. Over gele glijbanen de diepte in. Pootje badend door zeeën van zomertijd. Ik wil. Graag. Aan de zijkant van de snelweg. Zes uur opstaan. De zonsopgang verafgoden. Ik wil, een ontbijtje doen. Daarboven op de brug. Rode auto’s tellen. Twee Panda’s per minuut.